![]() |
|
||||||
FORMICINAE |
|||||||
| SCHUBMIEREN |
|||||||
| Smith, 1943 | |||||||
Formica
picea
Nylander
Nederlandse naam: veenmier
|
|||||||
De veenmier werd door ons steeds met de wetenschappelijke naam Formica transkaucasica aangeduidt. In een recente publicatie maakt B. Seifert (2004) met de beschrijving van een neotype onderscheid tussen de veenmier die voorkomt in Europa, de Caucasus en de laagvlakten van West-Siberië enerzijds en Formica candida Smith, 1878 die voorkomt in het gebergte van Centraal-Azië, Tibet, Mongolië en Oost-Siberië anderzijds. Van 1846 tot 1979 werd de veenmier bijna algemeen als Formica picea Nylander, 1846 weergegeven. Het is vooral na de publicatie van Collingwood (The Formicidae (Hymenoptera) of Fennoscandia and Denmark.) dat de naam F. transkaucasica meer en meer werd gebruikt. Seifert wijst erop dat er geen typemateriaal van F. candida en F. transkaucasica beschikbaar is en dat de beschrijvingen bovendien te algemeen zijn. Zowel F. candida als F. picea (= onze veenmier) wordt door Seifert opnieuw beschreven. Voor de veenmier onderzocht hij de morfometrische kenmerken van 62 exemplaren uit 26 stalen. De stalen zijn afkomstig uit: Oostenrijk, Tsechië, Frankrijk, Duitsland, Rusland en Zweden. Uit de typebeschrijving van de werksters onthouden we: " Cuticular surface of head, mesosoma and gaster as result of reduced pubescence and weak microsculpture shining; a denser pubescence is usually developed only on propodeum and petiole. Both sides of pronotum usually with 5 - 17 and of mesonotum with 3 - 11 long, erect setae.". Voor het kleurpatroon stelt Seifert dat de kop, het mesosoma, de heupen en het gaster zwartbruin zijn maar voegt er aan toe dat lichtere vormen ook kunnen voorkomen. Dit laatste vormt een bevestiging van onze eigen talrijke waarnemingen waarbij dikwijls eerder 'lichtbruine' exemplaren die duidelijk niet pas ontpopt waren, zijn genoteerd. Enige voorzichtigheid met het kenmerk 'glanzend pikzwart' is dus aanbevolen. Foutieve determinatie waarbij onze veenmier als F. candida zou genoteerd worden, is uitgesloten aangezien het duidelijk twee parapatrische soorten zijn met een grenslijn in Centraal-Azië. * Seifert, B., 2004. The "Black Bog Ant" Formica picea Nylander, 1846 – a species different from Formica candida Smith, 878 (Hymenoptera: Formicidae). - Myrmecologische Nachrichten 6: 29-38. * * * * *
Invertebraten zijn zeer gevoelig voor de versnippering van het landschap door de mens. Mieren die speciale eisen aan hun habitat stellen en een beperkt dispersievermogen hebben, zijn vooral zeer kwetsbaar. Er stellen zich twee problemen: inkrimping van een habitat bedreigt het voortbestaan van een locale populatie en het vergroten van de afstand tussen geschikte habitats verkleint de kans tot herkolonisatie. In een studie van Mabelis & Chardon werd nagegaan of de veenmier kan overleven in een versnipperd woongebied. Bij de veenmier werd vastgesteld dat er meerdere gynen per nest kunnen aanwezig zijn maar dat dit niet uitsluit dat er slechts één functionele koningin de dienst uitmaakt. De aanwezigheid van meerdere gynen per nest kan wijzen op nestsplitsing met een polydome structuur. Men is van mening dat een polygyne structuur is ontstaan als antwoord op een verminderde mogelijkheid om een nieuwe kolonie te stichten waaruit volgt dat versnippering van het habitat mogelijk polygyniteit in de hand werkt. Het onderzochte gebied ligt in het ZW van de provincie Drenthe (Nederland) en het grootste deel daarvan wordt ingenomen door de Dwingelose heide. De habitatkwaliteit voor de veenmier kreeg drie criteria: optimaal, suboptimaal en marginaal met eigenschappen als een goede vochthoudende bodem over minder geschikte nestplaatsen tot een bodem die duidelijke kenmerken vertoont van bemesting en/of verdroging. Vooral deze twee ontwikkelingen, bemesting of verrijking van de bodem met onder andere vergrassing tot gevolg en verdroging door verlaging van het grondwaterpeil, hebben het eens zo uitgestrekte heidegebied dat zeer geschikt was als woongebied voor de veenmier, gereduceerd tot enkele resterende eilanden. Van de 200 natte heidepercelen en laagvenen werden 149 locaties als geschikt aangeduid voor de veenmier. Van deze 149 locaties noteerde Mabelis & Chardon er 47 als optimaal, 55 als suboptimaal en 47 als marginaal. De aanwezigheid van de veenmier in deze drie doelgebieden werd genoteerd als:
Wat zijn enkele gevolgen voor de veenmier bij versnippering van een geschikt woongebied?
Dit onderzoek toont duidelijk aan dat versnippering van het geschikte woongebied van de veenmier een ernstige bedreiging vormt voor het voortbestaan van de soort zowel in Nederland als in onze grote heidegebieden in Antwerpen en Limburg. * Mabelis, A.A. & Chardon, J.P., 2005. Survival of the black bog ant (Formica trankaucasica Nasanov) in relation to the fragmentation of its habitat. Journal of Insect Conservation 9: 95-108. * * * * *
|
|||||||