![]() |
|
||||||
MIEREN |
|||||||
| PLANTENLUIZEN |
|||||||
| Smith, 1943 | |||||||
|
Meerdere soorten mieren zijn voor hun voortbestaan aangewezen op de 'honingdauw' die door plantenluizen wordt uitgescheiden. We hebben ongetwijfeld al eens stilgestaan om het foerageerge
De bladluizen of Aphididae worden tegenwoordig ondergebracht in de onderorde Sternorrhyncha, samen met de schildluizen (Coccidae en Pseudococcidae), de bladvlooien (Psyllidae) en de witte vlieg (Aleyrodidae). Met de onderorde van de cicaden (Auchenorrhyncha) en de wantsen (Heteroptera) behoren ze tot de orde der snavelinsecten of Hemiptera. Bladluizen op naam brengen, is morfologisch haast een onmogelijke opdracht. In een studie van 1995 stellen E. Jörg en G. Lampel : "The taxa of the Aphis fabae group s. str. are morphologically difficult to separate or inseparable." De moeilijkheid om bladluizen te determineren is gedeeltelijk waarschijnlijk ook te wijten aan de verschillende verschijningsvormen die een enkele soort binnen een jaarcyclus doorloopt.
Er bestaan twee typen ontwikkelingscycli :
Bij de auto-ecische cyclus bewonen de bladluizen één of een paar specifieke plantengenera - o.a. de zuringluis. Bij de hetero-ecische cyclus huizen de bladluizen op planten van twee verschillende families. Herfst, winter en lente vertoeven ze op een houtachtige waardplant (= de primaire waardplant) en in de zomer voeden ze zich op een kruidige plant (= secundaire waardplant) - o.a. de zwarte bonenluis.
Cyclus van de zwarte bonenluis (Aphis fabae).
Cyclus van de zuringluis (Aphis rumicis).
De levenscyclus van de zwarte bonenluis is waarschijnlijk de best bestudeerde en laat ons zowat met alle fenotypen kennismaken. Al naargelang de klimatologische omstandigheden komen de fundatrices in de tweede helft van maart uit de eitjes en gaan zich voeden op de winterplant. Na drie tot vier weken zijn ze volwassen en beginnen ze hun jongen voort te brengen (= de fundatrigeniae). In de tweede helft van april treffen we zowel ongevleugelde als gevleugelde fundatrigeniae op de winterplant aan. De gevleugelden (fundatrigeniae alatae) migreren naar de zomerplanten waar ze enkele dagen na de laatste vervelling jongen beginnen te baren. In de maanden september / oktober verschijnen de gynoparen en de mannetjes en migreren de gynoparen naar de winterplant. Op de winterplant worden de ongevleugelde oviparen geboren die daar hun eitjes zullen leggen om te overwinteren. * * * * *
|
|||||||