FORMICIDAE

 
FORMICINAE
     
SCHUBMIEREN
 
     
Smith, 1943
 

 

Coptoformica Müller, 1923

Datum van de beschrijving: 1923
Beschreven door: Müller, pagina(s) 146.
Referentie van de originele beschrijving:

  • Müller, G. 1923. Le formiche della Venezia Giulia e della Dalmazia. Bolletino della Societa Adriatica di Scienze Naturali 28 : 11-180.

Synoniemen:

Nederlandse naam: satermieren

Ga naar homepage Formicidae

 

 
 
 

 

Voor de Palaearctische regio zijn er 12 soorten uit het subgenus Coptoformica gekend: 10 taxa zijn beschreven en 2 taxa zijn nog niet beschreven (F. sp. 11 en F. sp. 12) (Schultz, 2007). De drie soorten die we in België hebben waargenomen, zijn zeldzaam en werden gevonden in de Hoge Venen.

  • Drie soorten zijn verspreid over de ganse (noordelijke) Palaearctische regio (PR): F. exsecta, F. pressilabris en F. forsslundi.
  • Zes soorten komen voornamelijk voor in het westen van de PR : F. bruni, F. fennica, F. foreli, F. suecica, F. sp. 11 en F. sp. 12.
  • Drie soorten komen voor in het oosten van de PR : F. fukaii, F. manchu en F. pisarskii.

Het subgenus Coptoformica onderscheidt zich van de andere subgenera van het genus Formica door volgende kenmerken :Coptoformica kopprofiel

 

  1. De achterrand van de kop is diep ingesneden.
  2. De mandibulae hebben vóór de basis één tot drie 'tandjes'.
  3. Bovenzijde van de petiolus is ingesneden.
  4. De index KL/KB is isometrisch.

 

 

Kenmerkend voor de soorten van dit subgenus is de nestbouw. Er is meestal een bovengrondse koepel die bestaat uit in stukjes gesneden vegetatie, voornamelijk grassen. Voor de stichting van een nieuwe kolonie zijn de bevruchte gynen aangewezen op de hulp van een Serviformica kolonie. Zij tonen hierbij geen specifieke voorkeur behalve Formica forsslundi die blijkbaar alleen op F. picea parasiteert. Door deze keuze beantwoordt het verspreidingspatroon van deze soort dan ook aan dit van F. picea, zowel wat het biotoop betreft als de geografische verspreiding.

* * * * *