![]() |
|
||||||
FORMICINAE |
|||||||
| SCHUBMIEREN |
|||||||
| Smith, 1943 | |||||||
Coptoformica Müller, 1923 Datum van de beschrijving: 1923
Synoniemen: Nederlandse naam: satermieren
|
|||||||
Voor de Palaearctische regio zijn er 12 soorten uit het subgenus Coptoformica gekend: 10 taxa zijn beschreven en 2 taxa zijn nog niet beschreven (F. sp. 11 en F. sp. 12) (Schultz, 2007). De drie soorten die we in België hebben waargenomen, zijn zeldzaam en werden gevonden in de Hoge Venen.
Het subgenus Coptoformica onderscheidt zich van de andere subgenera van het genus Formica door volgende kenmerken :
Kenmerkend voor de soorten van dit subgenus is de nestbouw. Er is meestal een bovengrondse koepel die bestaat uit in stukjes gesneden vegetatie, voornamelijk grassen. Voor de stichting van een nieuwe kolonie zijn de bevruchte gynen aangewezen op de hulp van een Serviformica kolonie. Zij tonen hierbij geen specifieke voorkeur behalve Formica forsslundi die blijkbaar alleen op F. picea parasiteert. Door deze keuze beantwoordt het verspreidingspatroon van deze soort dan ook aan dit van F. picea, zowel wat het biotoop betreft als de geografische verspreiding. * * * * *
|
|||||||