![]() |
|
||||||
Mieren
in amber |
|||||||
| MIEREN |
|||||||
© François Vankerkhoven
In het verleden werden zo trouwens vele insecten verrast door druppels hars die van boomstammen afliepen. Deze gefossileerde harsdruppels worden dikwijls als amber verwerkt in juwelen; ze zijn transparant en bevatten soms één of meerdere insecten waarvan dikwijls zelfs de kleinste details nog kunnen bestudeerd worden. Deze vondst van Lasius platythorax die gedeeltelijk is ingebed in een druppel hars van een conifeer biedt ons een mooie aanleiding om iets te zeggen over fossiele mieren. Bij de opsomming van de 26 subfamilies in de inleiding werden 5 subfamilies aangeduidt met een kruisje achter de naam omdat die alleen gekend zijn van fossiele vondsten.
In 1966 werd de missing link in de evolutie van de mier ontdekt. Voor die tijd gingen de oudste fossielen terug tot het Eoceen en behalve de slechte kwaliteit van de gevonden fossielen ging het ook telkens om species die duidelijk terug te voeren waren tot nog levende groepen. Zij gaven de evolutiebiologen geen inzicht in het ontstaan van de mieren. De 'oermier' werd gevonden door mr. en mevr. Edmund Frey. Zij vonden het stukje amber (22 x 18 x 17 mm) aan het strand van Cliffwood Beach in New Jersey. In het stuk amber bevonden zich twee werkster-mieren. Het fossiel werd geplaatst in het Krijt, de laatste grote periode van het Mesozoïcum en de 'ingebedde mieren' werden aanzien als de missing link met de voorvaderlijke wespen. De twee werksters hadden korte kaken met slechts twee tanden zoals bij wespen. Op de thorax was een zone zichtbaar die de aanwezigheid van een metapleuraalklier liet vermoeden, typisch voor mieren maar onbekend bij wespen. Duidelijk zichtbaar was het verlengde eerste sprietlid of de scapus, gevolgd door een sprietzweep. Tussen borststuk en achterlijf was ook een eenvoudige steelknoop aanwezig. De 5 mm grote 'mier' kreeg de naam Sphecomyrma freyi Wilson & Brown, 1967. De genusnaam Sphecomyrma betekent 'wesp-mier' en de soortnaam freyi geeft de erkentelijkheid weer ten opzichte van de vinder - het echtpaar Frey.
Hölldobler, B. & Wilson, E.O. (1990) Na 1967 zijn er nog meerdere fossiele 'mieren' gevonden zodat vergelijking van materiaal mogelijk werd. Dit vergelijkend onderzoek heeft ertoe geleid dat er nogal wat taxonomische verschuivingen plaatshadden waarbij vooral Dlussky voorstander was om formicoïde taxa tot familie te verheffen, zoals Armaniidae en Sphecomyrmidae. Bolton (1994) bracht de twee subfamilies terug onder de noemer van de enige familie der Formicidae. Laten we nog vermelden dat het holotype van Sphecomyrma freyi is verloren gegaan omdat alle pogingen om het fossiel te bewaren hebben gefaald zodat het diende te worden vervangen door een neotype dat in 1994 eveneens in New Jersey werd gevonden. Bij dit neotype (een vleugelloos wijfje) blijkt de aanwezigheid van de metapleuraalklier duidelijker aan te tonen dan bij het holotype van 1967. Bij de typebeschrijving van deze 'oermier' werd dan ook de bedenking genoteerd dat: "... if we are mistaken about the presence of the metapleural gland, it would be possible to consider Sphecomyrma as a wasp rather than an ant." * * * * *
* * * * * Dat het op gebied van biogeografie niet altijd eenvoudig is een antwoord te geven op vastgestelde fenomenen mag blijken uit fossiele vondsten. Zelfs enige kennis van het in een ver verleden uiteendrijven van Eurazië en Gondwana lost de problemen niet altijd op. We waren er uiteraard niet bij en moeten nog veel veronderstellen. Vragen over het hoe en wanneer van verspreiding van soorten kwamen weer volop in ons op bij de bestudering van een fossiele mier van het genus Gesomyrmex uit een stukje Baltisch amber (Vankerkhoven, F. et al., 2009). Toen G.L. Mayr in 1868 voor het eerst Gesomyrmex hoernesi in Baltisch amber aantrof, was er nog niets bekend van nog levende soorten van dit genus. In 1892 kreeg Ernest André een paar mieren uit Borneo in zijn bezit die eveneens tot het genus Gesomyrmex behoren. Ook daarna zijn er nog enkele nieuwe soorten van dit geslacht beschreven en allemaal zijn ze gevonden in de Oriëntaalse regio - China, Fillipijnen, India, Java, Thailand, Vietnam. Gesomyrmex is niet de grote uitzondering, er zijn ook nog andere genera aangetroffen in Baltisch amber, genera waarvan de vertegenwoordigers nu nog enkel voorkomen in subtropische of tropische streken. Een overbrugging beredeneren tussen de Baltische zee en de Oriëntaalse regio is aan mij niet besteed en ik vraag mij af of de mieren ooit zullen bijdragen tot een beter begrip van klimaatwijziging en continentenvorming.
* * * * * '
A drop of amber, from the weeping plant, (Rev.
R. Graves, from Martial Epigrams, Book vi, Epigram XV) * * *
|
|||||||