![]() |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
MIEREN |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| KOLONIESTICHTING |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Smith, 1943 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Een 'klassieke' koloniestichting kunnen we beschrijven met onze algemeen voorkomende Lasius niger (wegmier) als voorbeeld. Op een zomerse zonnige dag worden de gevleugelde mannetjes en wijfjes onrustig, verlaten het nest en vliegen in de namiddag weg om in de lucht te paren. Eenmaal de pas bevruchte wijfjes ergens op de bodem terechtkomen, gaan zij snel op zoek naar een geschikte ondergrondse cel om daar de basis te leggen van een nieuwe kolonie - we noemen dit ook wel een claustrale of gesloten koloniestichting. De eerste eitjes worden vrij spoedig gelegd en na een dertigtal dagen zullen de eerste werksters verpoppen. Deze eerste werksters (de nanitici) zijn meestal opmerkelijk kleiner dan hun zusters die later zullen ontwikkelen en hun aantal ligt rond een tien exemplaren. Hun geringe grootte en hun klein aantal staat in verhouding tot de potentiële voedingwaarde die een stichtende koningin met zich meedraagt. Om haar eerste broed groot te brengen, haalt de nieuwe koningin het noodzakelijke voedsel voor de eerste larven uit haar vetlichaampjes en haar vliegspieren die in haar verdere leven geen functie meer zullen hebben. Eenmaal zij een ondergronds holletje heeft gevonden, bijt zij haar vleugels af die bij de ondergrondse levenswijze toch alleen maar hinderlijk zouden zijn. Een stichtende koningin (deze uit ons voorbeeld althans!) gaat tijdens die stichtingsfase niet zelf foerageren en neemt geen voedsel tot zich. Zodra de eerste werksters zijn uitgekomen, nemen deze de verzorgingstaak op zich en gaan op zoek naar voedsel voor de koningin en de nieuwe larven die vrij spoedig in het nest zullen verschijnen. Mochten deze nanitici de stichtingsfase niet overleven dan zal ook de koningin sterven omdat zij niet in de mogelijkheid is haar taak nog eens over te doen. Onze wegmier is dus een typisch voorbeeld van een onafhankelijke stichting waarbij we zowel haplometrose als pleometrose kunnen vaststellen (zie schema). Het gebeurt namelijk vrij frequent dat bij deze soort enkele pas gepaarde wijfjes samen in hetzelfde holletje terechtkomen en samen de basis leggen voor een nieuwe kolonie. Samen sterk zouden we kunnen zeggen, want des te meer eitjes, des te meer nanitici en des te groter is de kans dat er voldoende eerste werksters in leven zullen blijven om de volgende generatie met succes groot te brengen. Bij het verschijnen van de eerste nanitici is het echter uit met de vreugde van het gezamelijke moederschap. Wiens kinderen het zijn, maakt niet meer uit want alle koninginnen op 1 na worden gedood, al of niet bedankt voor bewezen diensten.
De koloniestichting van onze wegmier biedt het verhaal dat meestal verteld wordt: gevleugelde mannetjes en wijfjes paren in de lucht, de bevruchte wijfjes zonderen zich af en volgend voorjaar vinden we daar een nieuwe kolonie. Maar hoe kan het ook anders of onder de ± 10.000 soorten mieren kent ook het stichten van een 'nieuwe' kolonie zeer vele variaties. Niet alle soorten hebben gevleugelde mannetjes zodat er dan ook niet altijd sprake is van een typische bruidsvlucht. De paring vindt dan plaats in of nabij het nest waarbij het wijfje al of niet wegvliegt (vb = onze Hypoponera punctatissima). Niet alle koninginnen zijn in staat om op eigen benen een eigen kroost te baren. Sommige soorten zijn aangewezen op de hulp van andere soorten om deze onderneming tot een goed einde te brengen (vb onze Chthonolasius-soorten) en worden als temporeel parasitair beschouwd. Bij onze amazonemier trekken de pas bevruchte wijfjes mee op rooftocht en vinden op die manier een nieuw onderkomen in een samenlevingsvorm die we permanent sociaal parasitisme noemen. Weer andere soorten zoeken het niet zo ver en blijven rustig in het ouderlijke nest of trekken in bij de naaste verwanten. Zelfs in onze eigen mierenfauna die maar enkele tientallen soorten rijk is, vinden wij meerdere variaties van koloniestichting terug. Alvast een boeiend studieterrein! Meer info? zie 'Onze Mieren'.
Een ander interessant gegeven kwam aan het licht bij een onderzoek van Keller en Passera (1990) waarbij de aandacht ging naar de vruchtbaarheid van de koninginnen in functie van hun leeftijd. Hierbij werden 3 monogyn, onafhankelijk stichtende soorten (waaronder L. niger) vergeleken met 2 polygyn, afhankelijk stichtende soorten. Uit het onderzoek bleek dat het gewicht van de koninginnen met een onafhankelijke stichting drastisch afnam tot op het moment dat de eerste werksters uitkwamen en met de verzorging van de kolonie starten. Het gewicht van de gynen begon nu opnieuw toe te nemen tot een waarde die lichtjes hoger lag dan net na de paring. De sterke daling van het gewicht van bv een L. niger koningin verklaart zich door het opgebruiken van de opgeslagen vetreserve die bij deze soort 51% van het droog gewicht kan bedragen. De vruchtbaarheid van de koninginnen van deze groep neemt toe in de tijd. Bij de polygyn, afhankelijk stichtende soorten blijft het gewicht van de koninginnen meer constant doordat zij meteen gevoed worden door de aanwezige werksters en bereikt hun vruchtbaarheid snel haar hoogtepunt. Koninginnen van afhankelijk stichtende soorten dienen dan ook geen vetreserve op te bouwen vóór de paring. Uit de beschikbare gegevens (labo waarnemingen!) mogen wij ook concluderen dat koninginnen met een onafhankelijke stichtingswijze langer leven dan deze met een afhankelijke stichtingswijze.
Uiteraard staat alles in verhouding tot mekaar. Het uiteindelijke doel van de investering in koninginnen is het produceren van geslachtsdieren. Deze komen pas tot ontwikkeling als de kolonie daarvoor rijp is. Bij een soort waarbij de koningin een onafhankelijk stichtingspatroon volgt, kan het wel een paar jaar duren vooraleer de kolonie dit peil bereikt heeft en staat haar leeftijd hiermee in verhouding. Soorten waarbij de koningin een afhankelijke stichting kent, bereiken dit punt zeer snel en de nieuwe koningin kan al op jonge leeftijd overgaan tot productie van geslachtsdieren.
* Literatuur.
* * * * *
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||