![]() |
|
||||||
TAXONOMEN |
|||||||
| TAXONOMEN |
|||||||
Linnaeus, Carl (Södra, 1707 - Uppsala 1778)
Deze Zweedse bioloog bouwde een classificatie op die de basis vormt van de moderne systematiek. Toen hij in 1735 in Nederland was, publiceerde hij op achtentwintigjarige leeftijd de eerste druk van zijn 'Systema Naturae' die slechts een tiental pagina's dik was. Zowel stenen als planten en dieren werden hierin op een systematische wijze geordend. In 1727 ging hij in Lünd geneeskunde studeren maar het daarop volgende jaar trok hij naar de universiteit van Uppsala. Toen hij 24 was, begon hij relaties tussen verschillende plantensoorten aan te tonen aan de hand van de voortplantingsorganen. Door omstandigheden gedwongen, verlaat hij Zweden en trekt naar Nederland waar hij aan de universiteit van Harderwijk de titel van dokter in de geneeskunde behaalt. Na een rondreis door Groot-Brittanië en Frankrijk, keert hij in 1738 terug naar Zweden en bouwt in Stockholm een praktijk uit totdat hij in 1741 geneeskunde gaat doceren in Uppsala. In 1747 wordt hij hofarts en in 1762 wordt hij in de adelstand verheven. Om planten en dieren in een systematisch overzicht onder te brengen, stapt Linnaeus af van de aan taal gebonden populaire benamingen. Hij kent aan elk specimen twee namen toe - één voor het genus ( met hoofdletter) en één voor de soort (met kleine letter). De namen zijn in het Latijn, soms in het Grieks ofwel wordt een naam gelatiniseerd. Volgens Linnaeus heeft elk wezen zijn vaste plaats binnen een scheppingsplan en ligt het systeem van de natuur vast volgens de wil van de schepper.
Scopoli, Giovanni Antonio (Cavalese 1723 - 1788)
* Scopoli studeerde geneeskunde aan de universiteit van Innsbruck en bouwde in Cavalese en Venetië zijn praktijk uit. Hij werkte ook gedurende 16 jaar als arts voor de kwikmijnen in Idrija (W. Slovenia) en publiceerde in 1761 een studie over kwikvergiftiging bij mijnwerkers. Op zijn wandelingen in de Alpen verzamelde hij planten en insecten maar ook vogels en zoogdieren trokken zijn aandacht zoals uit zijn publicaties blijkt. Zo publiceerde hij Anni Historico-Naturales (1769-1772) waarin zijn beschrijvingen staan van nieuwe vogelsoorten. Zijn naam werd ook vereeuwigd in de alkaloïde scopolamine die is te vinden in bepaalde planten van de Nachtschade familie.
Retzius, Anders Jahan (Kristianstad 1742 - Stockholm 1821)
Van opleiding apotheker, kan men Retzius (oorspronkelijk Ressius - genoemd naar de zee Ressen in Odensvi) beschouwen als een veelzijdig man. Men kan hem definiëren als een econoom, historicus of chemicus maar plantkunde en zoölogie was hem ook niet vreemd. Hij was een leerling van Linnaeus die een goede vriend en medestudent was van zijn vader Nils. Hij studeerde aan de universiteit van Lund waar hij in 1764 werd aangesteld als senior lector in de chemie en in 1766 promoveerde in de filosofie. In 1767 werd hij senior lector in de natuurwetenschappen. In 1772 lag hij mee aan de basis van de oprichting van de Physiographic Society, het oudste wetenschappelijk genootschap van Lund. .
Fabricius, Johan Christian (Tøndern 1745 - 1808)
In navolging van zijn vader studeerde Fabricius geneeskunde in Kopenhagen. Gedurende twee jaar volgde hij cursus bij Carl Linnaeus aan de universiteit van Uppsala. Vanaf 1770 doceerde hij aan het natuurhistorisch instituut van Charlottenborg te Kopenhagen en vanaf 1775 doceerde hij natuurwetenschappen en economie aan de universiteit van Kiel. Fabricius reisde veel. Zo verbleef hij o.a. in Leiden, Amsterdam, Den Haag en Delft. Hij trok door Schotland en bezocht Londen waar hij de plantkundige Sir Joseph Banks ontmoette. In dit zelfde jaar (1768) kreeg J. Banks de gelegenheid om deel te nemen aan de eerste expeditie (1768 - 1771) van James Cook naar Tahiti. Fabricius die in de jaren nadien meestal de zomer in Londen doorbracht, kreeg alzo de gelegenheid om heel wat entomologisch materiaal van Zuid-Amerika, Tahiti, Nieuw-Zeeland en Australië te onderzoeken. Ook in dat jaar 1768 reisde Fabricius naar Italië om zich daar te verdiepen in de collecties van de Italiaanse wetenschapper Ulisse Aldrovandi (1522 - 1605) die zijn bevindingen in een encyclopedisch werk wou vastleggen. Door het failissement van zijn uitgever (Francesco de Franceschi) bleef de publicatie beperkt tot vier delen waarvan er één gewijd was aan de entomologie, namelijk 'De animalibus insectis libri septem, cum singulorum iconibus ad vivum expressis.' (1602). Tijdens zijn vele reizen vulde Fabricius zijn eigen collecties aan en ontmoette hij belangrijke wetenschappers. Vanaf 1790 bracht hij de zomers door in Parijs waar hij een goede vriend werd van Pierre André Latreille alsook van Guillaume Antoine Olivier. Fabricius heeft heel wat publicaties op zijn naam staan waarin hij talrijke nieuwe soorten arthropoda beschreef. In navolging van zijn leermeester Linnaeus, schonk hij zeer veel aandacht aan systematiek maar van de tien orden die hij boven de doopvont hield, is alleen de orde der Odonata behouden gebleven. Zijn collectie wordt momenteel bewaard in de universiteit van Kiel.
Jurine,
Louis (Genève 1751 - Chougny 1819)
Jurine studeerde chirurgie in Parijs en tijdens zijn praktijk in Geneve verwierf hij al snel een reputatie die niet alleen tot Geneve beperkt bleef. In 1802 wordt hij tot professor in de geneeskunde benoemd aan de Académie de Genève waar hij anatomie en chirurgie doceert. Vanaf 1808 bekleedt hij tevens een leerstoel in de zoölogie. Vanuit zijn ruime interesse is hij zowel vertrouwd met geologie, plantkunde, ichtyologie als met entomologie. In 1794 toonde hij aan dat het gehoor een belangrijke rol speelt in de oriëntatie bij vleermuizen, ruim 150 jaar voor het onderzoek van Donald Griffin. Zijn belangrijkste natuurhistorisch werk handelt over het visbestand van het meer Leman. Samen met zijn artistieke dochter Christine werkte hij een classificatie van de Hymenopteren uit. Zijn insectencollectie bevindt zich in het natuurhistorisch museum van Geneve.
Olivier, Guillaume Antoine (Arcs 1756 - Lyon 1814)
Olivier was een brillant student en op de leeftijd van 17 jaar werd hij toegelaten in de studierichting geneeskunde aan de universiteit van Montpellier, waarna hij zich als arts vestigde in zijn geboorteplaats Arcs. Hij vindt maar weinig bevrediging in de uitoefening van zijn praktijk en wanneer hij een zekere Pierre Marie Auguste Broussonnet ontmoet, raakt hij onder diens invloed geboeid door de natuurwetenschappen. In 1783 trekt hij naar Parijs waar hij voor de Généralité de Paris enkele tijd aan statistisch onderzoek doet. Hij komt in contact met de welstellende Gigot D'Orcy die hem tegen betaling op reis zendt naar onder andere Nederland en Engeland met als opdracht insecten te verzamelen.
Het materiaal en de kennis uit deze opdracht bood hem de gelegenheid om tussen 1789 en 1825 een reeks publicaties over insecten en spinnen te maken onder de noemer Encyclopédie méthodique (10 delen met 389 platen). Een ander groot werk van hem dat handelde over de kevers 'Entomologie ou Histoire naturelle des insectes, avec leurs caractères génériques et spécifiques, leur description, leur synonymie et leur figure enluminée.' werd gepubliceerd tussen 1789 en 1808 (6 delen met 363 platen). De platen voor de keverboeken werden gemaakt door de befaamde etser en illustrator Jean-Baptiste Audebert die vooral bekend werd door zijn afbeeldingen van vogels en apen. Aangezien Audebert in 1800 overleed, is het niet duidelijk of hij dit werk kon voltooien vooraleer alle delen van de persen waren gerold. Het drukken van deze werken liep wel vertraging op door de gebeurtenissen tijdens de Franse Revolutie waarin meerdere drukkerijen werden gesloten.
In 1792 wordt Olivier door de overheid op handels- en wetenschappelijk missie gestuurd naar Egypte, Arabië en Klein-Azië. Op deze reis wordt hij vergezeld door de naturalist M. Bruguières met wie hij goed bevriend geraakt maar die voor het einde van de expeditie aan hoge koorts sterft. In 1798 keert hij terug naar Parijs met een rijke collectie reptielen, schelpen, insecten, vogels en meer dan 2000 planten; deze specimen worden vandaag bewaard in het Muséum national d'histoire naturelle van Parijs. De bevindingen van deze reis publiceert hij in drie delen onder de titel 'Voyage dans l'Empire Ottoman, l'Égypte et la Perse.' (1807). Hij werd lid van l’Institut de France bij de afdeling zoologie en natuurwetenschappen en werd professor in de zoologie aan de Veeartsenijschool van Alfort. Hij was een goede vriend van Johan Christian Fabricius en gedurende de Franse Revolutie was hij de beschermheer van Pierre André Latreille. Op de leeftijd van 58 jaar stierf hij te Lyon.
Latreille, Pierre André (Brive-la-Gaillarde 1762 - 1833)
Latreille was een koekoeksei. Als onwettige zoon van generaal Sahuget d'Amarzit, baron van Espargnac, werd hij aan de kerk van Brive-la-Gaillarde te vondeling gelegd en werd hij door een boerengezin geadopteerd en gedoopt onder de naam Pierre-André. Het was pas in 1813 dat hij van het gerecht van Brive de naam Latreille kreeg toegewezen. Deze Franse entomoloog studeerde in Parijs aan het college Cardinal-Lemoine waar hij in 1786 tot priester werd gewijd. Als priester komt hij tijdens de Franse Revolutie in conflict met de autoriteiten en wordt in Bordeaux gevangen gezet met het vooruitzicht van deportatie naar Guyana. Het verhaal gaat dat hij in zijn cel het kevertje Necrobia ruficollis vindt en dit naar baron Bory de Saint-Vincent stuurt. Deze liefhebber der natuurwetenschappen zorgt ervoor dat Latreille wordt vrij gelaten. Na zijn bevrijding zegt hij het priesterschap vaarwel en wordt tewerkgesteld in het Muséum national d'histoire naturelle van Parijs waar hij zich toelegt op het onderhoud van de entomologische collecties. In 1814 wordt hij lid van de Académie des sciences waar hij Guillaume Antoine Olivier opvolgt. Hij wordt hoogleraar in de zoologie aan de veeartsenijschool van Maisons-Alfort en krijgt na de dood van Lamarck in 1830 (sommige bronnen spreken van 1829) een leerstoel in de invertebraten toegewezen. In 1832 sticht hij als eerste voorzitter de Société Entomologique de France.
Hij werd door Johan Christian Fabricius de prins van de entomologie genoemd en hij wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne entomologie. Hij was de eerste die het begrip 'familie' introduceerde. Om het tiende deel van zijn Encylcopédie Méthodique Entomologie af te ronden moest hij wegens ziekte de hulp inroepen van onder andere Lepeletier. Hij stierf in 1833 aan een blaasziekte en werd begraven op het kerkhof Pere Lachaise te parijs.
* * * * *
Lepeletier de Saint-Fargeau, Amédée Louis Michel (Paris 1770 - Saint-Germain-en-Laye 1845)
Amédée Louis Michel behoorde tot een adelijke familie waarvan meerdere leden in de politiek werkzaam waren. Amédée voelde echter niets voor een bestuursfunctie en wijdde zich volledig aan de entomologie. Hij schreef 'Histoire naturelle des insectes hyménoptères.', een belangrijke studie over de Vliesvleugeligen. Hij was voorzitter van de Société entomologique de France in 1833.
Leach, William Elford (1790 - 1836)
Geboren in Plymouth, liep hij school in Exeter waar hij anatomie en scheikunde studeerde. Toen hij 17 was ging hij geneeskunde studeren aan het Sint Bartholomew Ziekenhuis in Londen om uiteindelijk af te studeren aan de universiteit van Edinburg. Al die tijd toonde hij een bijzondere interesse voor biologie en verzamelde allerlei zeeorganismen tijdens zijn wandelingen langs de kust nabij Devon. Zijn interesse voor de biologie bracht hem er uiteindelijk toe dat hij ging werken als assistent bibliothecaris aan de zoölogische afdeling van het Brits Museum. Hij ging zich over de verwaarloosde collecties ontfermen, ontwikkelde zich tot een expert op gebied van mollusken en crustacea en werd assistent op het departement van de natuurwetenschappen. In 1821 kreeg hij een zenuwinzinking wat ertoe leidde dat hij in maart 1822 zijn ontslag indiende bij het museum. Samen met zijn oudere zuster reisde hij door Europa en stierf nabij Tortona (Italië) aan cholera.
Curtis, John (Norwich 1791-1862) John Curtis was de zoon van de etser Charles Morgan Curtis. In het atelier van zijn vader leerde Curtis de technieken van het etsen en werd een befaamd illustrator. Na een korte leertijd op zijn zestiende in een advocatenkantoor trok hij in 1817 naar Londen en ontpopte zich als een professioneel entomologist. Hij combineerde zijn liefde voor de natuurwetenschappen met zijn artistieke aanleg en begon insecten te verzamelen die hij bestudeerde en waarvan hij prachtige afbeeldingen maakte. Curtis wordt wel eens beschreven als de eerste entomoloog die van zijn wetenschap kon leven.
Vanaf 1840 kreeg Curtis ernstige problemen met zijn ogen waardoor hij in 1856 uiteindelijk blind werd. In die periode kreeg hij tevens financiële problemen doordat vrienden hun schulden niet betaalden. Vanaf dan ging hij zich voornamelijk met schadelijke insecten bezighouden en werd alzo een pionier in de gewasbescherming. Zijn illustraties werden na zijn dood gekocht door Lord Walter Rothschild en belandden uiteindelijk in het Natuurhistorisch Museum. De insectencollectie van Curtis bevat 38.031 specimens waarvan 7.715 Hymenopteren.
Lund, Peter Wilhelm (Kopenhagen 1801 - Lagao Santa 1888)
Lund was een Deens zoöloog en paleontoloog die zijn reputatie voornamelijk in Brazilië opbouwde. Hij werd geboren in Kopenhagen op 14 juni 1801 als zoon van een welstellende koopmansfamilie. In 1832 trok hij naar Brazilië en bleef daar tot aan zijn dood. Hij leed aan tuberculose en was zowel voor het wetenschappelijk onderzoek als voor zijn gezondheid al eerder in Brazilië geweest. In 1836 vestigde hij zich in Lagoa Santa (provincie Minas Gerais ) waar hij tot aan zijn dood zou blijven. Zijn voornaamste onderzoeksterrein was de paleontologie en bij zijn speurtochten in zo'n 200 grotten deed hij enkele belangrijke vondsten. In 1834 vond hij de 12.000 jaar oude (Pleistoceen) homonide resten, de ' Homem de Lagoa Santa' die worden bewaard in het Zoologisch Museum van Kopenhagen. In 1844 was de fysieke toestand van Lund zodanig verergerd dat hij zijn wetenschappelijk werk moest stoppen. De collectie fossielen die hij in Brazilië verzamelde, schonk hij in 1845 aan de Deense koning Christiaan VIII. Lund wordt vanwege zijn werk de Braziliaanse vader van de paleontologie en archeologie genoemd.
Westwood, John Obadiah (Sheffield 1805 - 1893)
Als entomoloog en archeoloog had Westwood de reputatie een talentvolle kunstenaar te zijn die zijn studieobjecten met een grote precisie wist te tekenen. Naast faunistische tekeningen, reproduceerde hij ook Angelsaksische en middeleeuwse manuscripten en miniaturen. Westwood was curator en professor aan de Oxford Universiteit, was Fellow of the Linnean Society en voorzitter van de Entomological Society of London van 1883 tot 1893. De eerste voorzitter van de Entomological Society en tevens een goede vriend van Westwood was Frederick William Hope. Hope bouwde tussen 1847 en 1858 een belangrijke entomologische collectie en bibliotheek uit binnen de universiteit van Oxford. In 1858 werd Westwood aangewezen als beheerder van de Hope-collectie en bouwde die verder op. Toen Hope in 1861 een leerstoel in de biologie oprichtte, werd Westwood als docent voorgedragen en hij bekleedde die functie van 1861 tot aan zijn dood in 1893.
Walker, Francis (Southgate 1809 - Wanstead 1874)
Förster, Arnold (1810 - 1884)
In 1832 schreef hij zich in Bonn in als student geneeskunde maar schakelde al vlug over naar natuurwetenschappen. Hij logeerde bij zijn docent E. Goldfuß die kevers verzamelde hetgeen Förster aanzette om in de omgeving van Bonn ook zelf kevers te verzamelen. Hij werd in 1836 in dienst genomen in het Realgymnasium in Aachen en bleef daar zijn ganse leven werkzaam. Alhoewel hij bijdroeg tot de studie van de keverfauna was hij in de eerste plaats een hymenopteroloog en werd tot de grote kenners van deze orde in de negentiende eeuw gerekend. Hij publiceerde meerdere bijdragen over galwespen, het bijengenus Hylaeus, Braconiden en Ichneumoniden.
Roger, Julius (1819 - 1865)
Julius Roger is als dokter werkzaam geweest in de kleine stad Rauden in Boven Silesia. Hij was verbonden met het Zoologisch Museum van de universiteit van Berlijn. In meerdere publicaties heeft hij een aantal ponerine soorten beschreven.
Nylander, William (Uleåborg 1822 - Paris 1899) - Finland
Finland was blijkbaar te klein voor Nylander en eind 1863 trok hij terug naar Parijs met als argumenten dat de atmosfeer in Helsinki te kleinburgerlijk was, dat het klimaat slecht was voor zijn gezondheid en vooral vanwege de onverschilligheid ten opzichte van zijn werk aan de universiteit. In Parijs moest hij zich echter tevreden stellen met een bescheiden bestaan omdat hij geen vast inkomen had. Hij legde zich intensief toe op de studie van de korstmossen en bouwde door wereldwijde contacten een belangrijke collectie uit die bestond uit vele typen van door hem beschreven soorten. Doordat Nylander in 1878 zijn collectie (meer dan 50.000 specimen) en bibliotheek aan de universiteit van Helsinki schonk, werd hem een bescheiden toelage toegewezen. Hij werd een expert op gebied van korstmossen en publiceerde aan een hoog tempo. Zijn opvattingen (vooral over de bepalingen van de genera) werden door zijn collega's niet steeds met enthousiasme onthaald en hij was zo standvastig in zijn overtuigingen dat hij er niet voor terugdeinsde om langdurige contacten met collega's te verbreken hetgeen toch wel een negatieve invloed had op zijn wetenschappelijk werk. Zijn negatieve houding tegen kritiek op zijn werk, leidde ertoe dat hij de laatste jaren van zijn leven als een geïsoleerd man doorbracht en in eenzaamheid stierf op de leeftijd van 77 jaar. Nylander schonk veel aandacht aan de chemische eigenschappen van korstmossen en toonde een negatieve invloed aan van milieuverontreiniging op hun groei. Hij toonde aan dat korstmossen een goede bio-indicator zijn voor luchtpollutie. Hij beschreef zo'n 3.000 nieuwe soorten korstmossen in meer dan 300 publicaties.
Mayr, Gustav L. (Wenen 1830 - Wenen 1908) Professor Dr. Gustav Mayr schonk als Oostenrijks hymenopteroloog gedurende zijn loopbaan voo
Meinert, Frederik Vilhelm August (1833 - 1912) Deen
Meinert, studeerde eerst theologie maar ging zich later toeleggen op vergelijkende anatomie en histologie. Zijn voornaamste interesse ging naar de klasse der Malacostraca (o.a. krabben en krill) en Pycnogonida (zeespinnen).
Emery, Carlo (Napoli, 1848 - Bologna, 1925)
* Deze Italiaanse onderzoeker was vanaf 1880 professor in de zoologie aan de universiteit van Bologna. Als specialist in de taxonomie van de Hymenoptera beschreef Emery zo'n 130 genera en 1057 soorten mieren. Hij beschreef als eerste de myrmecofauna van Indo-Maleisië en Australië maar ook de mieren van Noord- en Zuid-Amerika, Afrika en Azië maakten deel uit van zijn onderzoeken zoals mag blijken uit zijn talrijke publicaties hieromtrent. Emery is de eerste die in detail orde heeft gebracht in taxonomie, faunistiek en systematiek van de mieren. Zeer bekend van hem is zijn meerdelig werk 'Genera Insectorum'. Hij publiceerde ook als eerste een belangrijk werk over de Italiaanse mierenfauna en bovendien stelde hij samen met Forel een Europese catalogus samen. In een elfdelige reeks gaf Emery een uitgebreid overzicht van de mierenfauna van de palaearctische regio. Deze publicaties zijn zowat het standaardwerk geweest gedurende de 20 ste eeuw. Zijn mierencollectie werd ondergebracht in het Museo G. Doria te Genova en niemand anders viel de eer te beurt dat 37 soorten naar hem werden genoemd.
Forel, August (1848 - 1931)
Ruzsky, Mikhail Dmitrievich (1864- 29 april 1948)
Een van de laatste wetenschappelijke encyclopedisten van de twintigste eeuw. Als zoöloog had hij een ruim onderzoeksgebied. Hij deed onderzoek op het gebied van hydrobiologie, ichtyologie, parasitologie, entomologie, herpetologie, en ornitologie. De nadruk van zijn wetenschappelijk onderzoek ligt echter wel op de myrmecologie waarbij hij talrijke nieuwe soorten beschreef. In 1888 beeindigde hij zijn kandidatuur in de natuurwetenschappen aan de universiteit van Kazan (Kazan is universiteitsstad sinds 1801). In 1898 behaalde hij de graad van master in de zoölogie en werd assistent op de zoölogische faculteit. Na talrijke expedities in Rusland en de omliggende regio publiceerde hij de eerste monografie over de Russische mieren (1905). Op basis van dit werk verdedigde hij in 1908 zijn doctoraat aan de universiteit van Kharkov. Hierna kreeg hij van de Academie voor Wetenschappen van St. Petersburg een onderscheiding voor zijn tweedelige werk over de Russische mieren, een erkenning die enkel aan de grootsten was voorbehouden. In 1913 werd hij professor aan de universiteit van Tomsk (West-Siberië - staatsuniversiteit gesticht in 1878) waar hij 35 jaar actief was. Gedurende deze jaren deed hij onderzoek in Siberië van Surgut tot Kamchatka. In totaal schreef hij zo'n 120 publicaties. Voor de liefhebbers : Er is in 2002 een biografie over Ruzsky verschenen. - Mikhail Dmitrievich Ruzsky, 1864 - 1948. - Kazan : Publishing house of Kazan University.
Santschi, Felix (1872 - 1940)
Santschi hield zich vooral bezig met de vraag hoe mieren zich oriënteren. Door gebruik te maken van een spiegel om de invalshoek van de zon te manipuleren en een paneel om de echte invalshoek af te schermen, kon hij aantonen dat sommige soorten bij het foerageren wel degelijk worden geleid door de stand van de zon. In 1923 toonde hij aan dat mieren zich ook kunnen oriënteren indien zij slechts een klein deel van de lucht te zien krijgen; hiervoor gebruikte hij een cylinder die hij rondom een mier plaatste. Latere onderzoekers toonden aan dat het ingebouwde kompas van mieren wordt gestuurd door de polarisatie van het licht.
Schenck, C.F.
Viereck, Henry Lorenz (Philadelphia, 28 maart 1881 - Loudenville 8 oktober 1931) |
|||||||
|
|||||||