FORMICIDAE

 
FORMICINAE
     
SCHUBMIEREN
 
     
Smith, 1943
 

 

Formica cunicularia Latreille

Datum van de beschrijving: 1798
Beschreven door: Latreille, pagina(s) 40.
Referentie van de originele beschrijving:

  • Latreille, P.A., 1798. Essai sur l'histoire des fourmis de la France., Brive. 50 pp.

Synoniemen:

  • Formica (Serviformica) cunicularia subsp. fuscoides Dlussky
  • Formica fusca var. fuscorufibarbis Forel
  • Formica rufibarbis var. glauca Ruzsky
  • Formica glebaria Nylander
  • Formica fusca var. rubescens Forel
  • Formica rufibarbis var. caucasica Wheeler
  • Formica (Serviformica) rufibarbis var. glabridorsis Santschi
  • Formica katuniensis Ruzsky
  • Formica rufibarbis var. montaniformis Kuznetsov-Ugamsky
  • Formica (Serviformica) rufibarbis st. montivaga Santschi
  • Formica rufibarbis subsp. volgensis Ruzsky
  • Formica rufibarbis natio montana Kuznetsov-Ugamsky


Nederlandse naam:
bruine baardmier

* * * * *

typebeschrijving

F. mineuse. c unicularia .

O. m. Noire. Base des antennes, mandibules, côtés et dessous de la tête, corcelet, écaille et pattes, roussâtres ; dos antérieur du corcelet et cuisses plus foncés. Écaille saillante, arrondie. Abdomen court, presque globuleux, à poils très-courts. Cette espèce me paraît être la f. rousse des prés de de Géer ; celle des prés de l'encycl. Meth. La f. rufibarbe de Fab. n'en est probablement qu'une variété, à mandibules et pattes noirs, ou plutôt d'un brun foncé. Mâle . Noir, glabre. Organes sexuels, pattes, d'un brun testacé ; cuisses plus foncées. Écaille échancrée. Nervures des aîles noirâtres ; un point noir, marginal, aux antérieures. Femelle . Noire. Mandibules, côtés et dessous de la tête, base des antennes, quelques taches sur le lobe antérieur du corcelet, son extrémité postérieure, point sous les aîles, genoux et tarses, ou pattes en entier, d'un roux foncé. Écaille large, échancrée, obscure. Aîles à nervures noirâtres ; point noir, marginal aux antérieures.

La description, les dimensions de la f. n°. 4 de Geoffroi, s'accordent mieux avec celle-ci qu'avec la f. fauve .

* * * * *

Ga naar homepage Formicidae

 

 
 
 

de bruine baardmier met een larve van een zweefvlieg

 

Op deze foto zien we een bruine baardmier samen met een larve van een aphidofage zweefvlieg uit het geslacht Dasysyrphus. Deze larve houdt zich op temidden van een kolonie bladluizen die haar hoofdmaaltijd uitmaken. Van meerdere zweefvliegen is geweten dat hun larven zich voeden met bladluizen. Eén hiervan, Episyrphus balteatus speelt daardoor een belangrijke rol in de biologische luisbestrijding, vooral vanwege het feit dat haar larven niet zo kieskeurig zijn en een ruim luizenmenu aankunnen. Het vrouwtje van deze zweefvlieg legt tot 500 eitjes in een luizenkolonie en als we daarbij bedenken dat een enkele larve tijdens haar korte bestaan (8 dagen tot de verpopping) zo'n 300 à 500 luizen kan verorberen dan is het wel duidelijk waarom zij werd aangesproken voor een biologische bestrijding.

de bruine baardmier op bezoek bij een larve van een zweefvlieg

 

De inzet van deze zweefvlieglarve tegen de bladluizen biedt echter nog geen succes over de ganse lijn. De larven moeten het niet hebben van behaarde bladeren en kunnen dus niet ingezet worden in de tomatenteelt. Bovendien begeven de larven zich zelden naar een naaste plant zodat ze dikwijls sterven van de honger eenmaal hun luizenkolonie opgesoupeerd is.

Kees van der Krieke die ons deze foto's bezorgde, stelde vast dat de bruine baardmier deze larve blijkbaar bladluizen kwam aanbieden. Dit is toch wel een opmerkelijk feit gezien de uitscheidingen van de bladluizen voor de mieren zelf een balangrijke voedselbron zijn. De bladluizenkolonie wordt daarom door de mieren meestal beschermd tegen eventuele belagers.