De mieren (Formicidae) van Vlaanderen.

 

Inleiding


Atlas Vlaanderen

Blauwtjes

Bosmieren

Checklist

Collectie

Communicatie

Curiosa

Databank

Determinatiesleutel

Fiches

Focus op ...

Fossielen

Gynandromorfen

Koloniestichting

Laatste update

Lieveheersbeestjes

Links

Literatuur

Mierenhandel

Nieuwe soort

Nieuwe publicaties

Wenst u op de hoogte gesteld te worden van de laatste wijzigingen? Stuur ons een mailtje met uw verzoek.

Plantenluizen

Projecten

Symbiose

Taxonomen

Werkgroep

home

Formicidae : Myrmicinae : Harpagoxenus : Harpagoxenus sublaevis

Harpagoxenus sublaevis Nylander

Datum van de beschrijving: 1849
Beschreven door: Nylander, pagina 33.
Referentie van de originele beschrijving:

  • Nylander, W. 1849. Additamentum alterum adnotationum in monographiam formicarum borealium.Acta Soc. Sci. Fenn. 3: 25-48.

Synoniemen:

  • Myrmica (Stenamma) sublaevis Nylander
  • Myrmica sublaevis Nylander
  • Tomognathus sublaevis (Nylander)
  • Tomognathus sublevis Dalla Torre

Nederlandse naam: nijptangmier

* * * * *

typebeschrijving

Myrmica sublaevis n. sp.

Operaria: pallide rufa crebre flavescenti setulosa, abdomine fusco-nigro; antennis validiusculis 11-articulatis; capite magno et thorace longitudinaliter striatulis, illo utrinque ad oculos excavato; spinis metathoracis mediocribus; nodo petioli posteriore infra dente valido antice instructo; longitudine corporis circiter 4½ millimetrorum.

* * * * *

 

Harpagoxenus sublaevis

© Bernhard Seifert

Het genus Harpagoxenus Forel, 1893 telt slechts vier holarctische soorten (Creighton, 1950 heeft het over 3 soorten, americanus, canadensis en sublaevis; Buschinger, 1966 voegt hieraan toe zaisanicus (Mongolië); Seifert, 1996 spreekt van 3 soorten zonder ze te benoemen) en is gemakkelijk te herkennen aan de diepe antennegroeven boven de ogen, de stevige, tandloze kaken en een vooruitstekende doorn onderaan de petiolus.

Harpagoxenus sublaevisHarpagoxenus sublaevis

© H Kutter

Permanent sociaalparasiet bij Leptothorax acervorum, L. muscorum en L. gredleri. Het habitat dat de voorkeur krijgt, zijn schrale zonnige dennenbossen met zwak ontwikkelde kruidlaag. De koninginnetjes zijn meestal monogyne vleugelloze ergatogynen. Slechts in 1% van de kolonies kan men gevleugelde wijfjes aantreffen. De wijfjes leven tussen de 12 en 14 jaar. Bruidsvlucht begin juli tot begin augustus. Nestverlatende wijfjes die niet bevrucht worden, kunnen naar het nest terugkeren en blijven zo'n veertien dagen ontvankelijk voor de mannetjes. Wanneer zij eenmaal bevrucht zijn, worden zij niet meer toegelaten in het ouderlijke nest maar moeten zij zelf trachten een nest van de gastsoort over te nemen. Bij de overname van een gastnest kan een gyne van Harpagoxenus in enkele minuten de sprieten en poten van de aanwezige mieren afbijten. Het succes van de overname neemt af met de grootte van het nest en meestal valt de keuze op een kleine kolonie. De kaken van H. sublaevis zijn scherp en ongetand maar kunnen als een tang snel ledematen van andere mieren afknippen. Langs weerszijde van hun kop hebben zij diepe gleuven waarin zij hun sprieten kunnen 'opbergen' zodat ze zelf minder kwetsbaar zijn. In juni-augustus kunnen zij er op warme zomerse dagen in de namiddag op uittrekken om broed van de gastsoorten te gaan roven. Na een succesvolle rooftocht wordt de buit gesorteerd waarbij eitjes en te kleine larfjes worden genegeerd. De grotere larven en nimfen worden meegenomen waarbij ook nimfen van gynen in het slavennest kunnen ontwikkelen tot volwassen wijfjes. In een nest van H. sublaevis kunnen werksters van de drie gastsoorten gezamelijk voorkomen. Ook voor H. americanus vermeldt Creighton dat in hetzelfde nest zowel de gastheer Temnothorax longispinosus als T. curvispinosus kunnen aanwezig zijn.

De nijptangmier werd in 2006 in de Hoge Venen aangetroffen (Boer, P. & Dekoninck W ., 2006) in een nest van Leptothorax acervorum.

* * * * *

    • Adlerz, G., 1896, Myrmecologiska Studier III - Tomognathus sublaevis Mayr. -
    • Buschinger, A., 1966. Untersuchungen an Harpagoxenus sublaevis Nyl. (Hym. Formicidae). I. - Freilandbeobachtungen zu Verbreitung und Lebensweise. Ins. Soc.13 : 5-16 .
    • Creighton, W. S., 1927. The slave-raids of Harpagoxenus americanus. Psyche 34 : 11-29.
    • Creighton, W. S., 1950. The ants of North America. Bull. Mus. Comp. Zool. Harvard Coll. 104 : 1-585.

* * * * *