![]() |
|
||||||
FORMICINAE |
|||||||
| SCHUBMIEREN |
|||||||
| Smith, 1943 | |||||||
Lasius
flavus
(Fabricius)
Nederlandse naam: gele weidemier * * * * *
* * * * *
|
|||||||
Lasius flavus of de gele weidemier is een mier met een ondergrondse levenswijze. Zoals de Nederlandse naam laat vermoeden, dient ze vooral gezocht te worden in weilanden. In een geschikte weide kan deze soort een grote nestdichtheid bereiken zodat we werkelijk de ene koepel naast de andere zien staan. De nestkoepels zijn steeds begroeid met grassen en dikwijls vinden we er ook wilde thijm (Thymus serpyllum) op. Deze mieren voeden zich hoofdzakelijk met de uitscheidingen van op de planten levende wortelluizen. De soorten van onze twee grote subfamilies, Myrmicinae en Formicinae, kennen elk een eigen ontwikkelingscyclus. De Myrmicinae of knoopmieren doorlopen een cyclus van ei, larve, naakte nymf en volwassen mier. De schubmieren of Formicinae kennen geen stadium waarin zich een naakte nimf ontwikkelt (uitzondering) maar de larven gaan zich op een bepaald ogenblik inspinnen tot een pop waaruit later de volwassen mieren ontluiken. Op de foto hieronder zien we twee werksters van de gele weidemier met een hoeveelheid poppen die dikwijls ten onrechte voor eieren worden aanzien. Aan het achtereinde van de pop zien we een ronde zwarte vlek. Dit is het meconium: voor de vorming van de cocon wordt door de larven van de Formicinae de sluitprop van de middendarm afgebroken. Deze prop bestaat uit onverteerde voedselresten die aan het einde van de blindeindigende middendarm van de larven werden opgestapeld.
Op de volgende foto zien we dat de werksters van de gele weidemier niet allemaal even groot zijn. We zeggen dan ook dat deze soort polymorf is. Dit is een typische eigenschap voor Lasius flavus en Lasius myops die bij ons het subgenus Cautolasius vertegenwoordigen. Dit kenmerk van polymorfisme wordt in determinatietabellen (Van Boven & Mabelis, 1986 en Schoeters & Vankerkhoven, 2002) ook wel gebruikt om een onderscheid te maken tussen de subgenera Cautolasius en Chthonolasius. De soorten van dit laatste subgenus zijn mono- tot zwak polymorf.
De
zwarte gevleugelde exemplaren die we op de foto zien, zijn mannetjes.
De mannetjes onderscheiden zich van de wijfjes niet alleen door hun
geslachtsorgaan maar meestal ook omdat zij iets extra hebben, zoals
een abdominaal segment en een zweeplid. Bij deze soort (en ook bij vele
andere) zien we dat zij een kleine, smalle kop hebben met in verhouding
grote, uitpuilende facetogen en tevens kleine gereduceerde kaken. Hun
ganse bouw is gericht op dat ene belangrijke evenement in hun korte
leven, het vinden en bevruchten van één of meerdere wijfjes.
In deze door vrouwen geregeerde wereld zijn zij voor de rest totaal
nutteloos ondanks al die extra toebehoren. * * * * * Claviger testaceus Preyssler, 1790 is een 2.1 à 2.3 mm groot kortschildkevertje (Pselaphidae) uit de subfamilie der Pselaphinae. Het is een myrmecofiele kever die kan gevonden worden in de nesten van o.a. Lasius flavus.
Deze kever leeft niet solitair maar zal steeds worden aangetroffen in mierennesten. Van de Pselaphidae is hij misschien wel de best bestudeerde kever en het is vooral dank zij het werk van Dr. Roger Cammaerts (ULB) dat er heel wat bekend is over de levenswijze van deze kortschildkever.
* * * * *
|
|||||||