![]() |
|
||||||
FORMICINAE |
|||||||
| SCHUBMIEREN |
|||||||
| Smith, 1943 | |||||||
Lasius
neglectus
van Loon, Boomsma & Andrasfalvy, 1990
Synoniemen: Nederlandse naam: plaagmier
|
|||||||
De plaagmier of Lasius neglectus heeft geen probleem om een koude winter door te komen. De geografische verspreiding van deze plaagmier moet niet onderdoen voor de Argentijnse plaagmier en strekt zich uit van Turkijë tot West-Europa. Net als Linepithema humile is haar succes voor een groot deel te wijten aan haar polygyne structuur, wat toch wel zeer uitzonderlijk is voor het subgenus Lasius s.s. en enkel werd waargenomen bij de Japanse soort Lasius sakagamii. Bevruchting van de gynen heeft plaats in het nest waarna de bevruchte gynen meteen hun vleugels afbijten en in het ouderlijke nest hun productieve taak gaan vervullen. De kolonie groeit door nestsplitsing en de kolonie krijgt daardoor een polykalisch karakter. De vergelijking tussen de twee soorten kan nog worden doorgetrokken doordat ook de aanwezigheid van de plaagmier de inheemse mierenfauna terugdringt. Lasius neglectus is in dat opzicht zeker geen welkome aanwinst en daarom hebben wij haar ook met een onsympathieke Nederlandse naam opgezadeld. Toen de auteurs de typen beschreven van deze mier (Loon, A.J. van, Boomsma, J.J. & Andrasfalvy, A., 1990), gaven ze haar de soortnaam neglectus daar zij stelden dat deze mier zo laat werd ontdekt omdat zij vanuit een onbekende regio (waarschijnlijk uit Azië) in Budapest was geïntroduceerd en zij als het ware over het hoofd werd gezien. In het begin van de jaren zeventig had Andrasfalvy haar gedetermineerd als Lasius alienus. Toen echter bleek dat de kolonie zich sterk begon uit te breiden en daarbij andere aanwezige soorten ging verdringen en dat deze soort bovendien polygyn is, ging men de zaak opnieuw bekijken en stelde men vast dat dit een nog onbekende soort was. Het polygyne karakter werd vastgesteld bij het uitgraven van een nest waarin men meerdere functionele koninginnen aantrof samen met enkele kopulerende stellen en een hoeveelheid afgebeten vleugels. De dominantie van de soort komt vooral tot uiting doordat zij massaal een monopolie nemen op elke boom waar bladluizen te melken zijn. Aangezien er nog geen echte bruidsvlucht bij de plaagmier werd waargenomen, kunnen we stellen dat de verspreiding van de soort door de mens gebeurt (plantenmateriaal). * * * * * X. Espadaler (Lasius neglectus Van Loon, Boomsma & Andrasfalvy, 1990 (Hymenoptera, Formicidae), a potential pest ant in Spain - Orsis 14: 43-46) meldt dat de plaagmier ook werd waargenomen op drie plaatsen in Barcelona. Ook hier kon hij de typische eigenschappen vaststellen: polygyn, geen bruidsvlucht, dominant ten opzichte van de inheemse mierenfauna en fervente luizenmelkers. X.
Espadaler heeft ook onderzoek gedaan i.v.m. het stichten van een nieuwe
kolonie door de plaagmier (Espadaler,
X. & Rey, S., 2001). Daaruit willen we u enkele interessante vaststellingen
niet onthouden. Alhoewel een nieuw nest bij Lasius neglectus in
de natuur door afsplitsing van het moedernest gevormd wordt, is uit Espadalers
laboproeven gebleken dat deze mier wel in staat is om op een onafhankelijke
wijze de kolonie uit te breiden. Dit kan zij zowel op een * * * * * André J. van Loon beschrijft in een EIS rapport 'Risicoanalyse van de plaagmier Lasius neglectus' de aanwezigheid van deze mier in Nederland en evalueert de impact op de inheemse mierenfauna en de overlast die deze plaagmier kan veroorzaken. Uit het rapport blijkt dat L. negelectus reeds van 1978 in Nederland aanwezig is maar niet als zodanig werd erkend. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de soort pas in 1990 werd beschreven en dat de plaagmier aanvankelijk werd gedetermineerd als Lasius alienus, een soort die later door Seifert (1992) werd opgesplitst in drie afzonderlijke soorten. Onderzoek van oudere en recente gegevens toont aan dat de plaagmier in Nederland gekend is van 6 locaties. * * * * *
|
|||||||