![]() |
|
||||||
FORMICINAE |
|||||||
| SCHUBMIEREN |
|||||||
| Smith, 1943 | |||||||
Lasius Fabricius, 1804
Nederlandse naam: kleine schubmieren * * * * *
* * * * *
|
|||||||
De soorten van het genus Lasius worden ondergebracht in vijf subgenera : Austrolasius, Cautolasius, Chthonolasius, Dendrolasius en Lasius s. str. De soorten zijn verspreid over de Holarctische regio waarvan er zo'n 60 soorten in de Palaearctische regio voorkomen. Alleen de gynen van Cautolasius en Lasius s. str. kunnen zelfstandig een nieuwe kolonie stichten; de wijfjes van de andere subgenera zijn allemaal temporeel sociaalparasiet. Lasius (Dendrolasius) fuliginosus noemt men een temporeel parasiet van de tweede graad omdat de wijfjes enkel een nieuwe kolonie kunnen opstarten in een nest van een Chthonolasius-soort. Alle subgenera zijn in België waargenomen behalve de soorten van Austrolasius Faber, 1967. Lasius (Austrolasius) carniolicus en Lasius (Austrolasius) reginae werden wel in Duitsland waargenomen maar behoren ook daar tot de zeldzaamste Lasius-soorten. Bernard vermeldt dat Lasius carniolicus wijdverbreid is in de Palaearctische regio maar dat ze overal een zeldzame soort is : Frankrijk, Zwitserland, Italië, Polen, Zweden, Yoegoslavië, Rusland, Kazakstan. Aangezien deze laatste soort sterk lijkt op Lasius flavus (myops) en daarvan ook de temporeel sociaalparasiet is, houden wij ook in België met deze soort rekening bij determinatie. J. van Boven en A. Mabelis wijzen op de late bruidsvlucht (september / oktober) van L. carniolicus om bij aanwezigheid van geslachtsdieren in een 'flavus-nest' tijdens deze maanden extra opmerkzaam te zijn. * * * * *
|
|||||||