FORMICIDAE

 
MYRMICINAE
     
KNOOPMIEREN
 
     
Smith, 1947
 

 

Myrmica lonae Finzi

Datum van de beschrijving: 1926
Beschreven door: Finzi, pagina(s) 103.
Referentie van de originele beschrijving:

  • Finzi, B. 1926. Le forme europee del genere Myrmica Latr. Primo contributo. Boll. Soc. Adriatica Sci. Nat. 29: 71-119.
Synoniemen:
  • Myrmica sabuleti var. spinosior Santschi
  • Myrmica rubra var. scabrinodolobicornis Forel
  • Myrmica scabrinodis subsp. lonae Finzi
  • Myrmica granulinodis Nylander

Nederlandse naam: lepelsteekmier

* * * * *

typebeschrijving

M. scabrinodis, sbsp. lonae, nov. subsp,

? M. sabuleti, Meinert in Bondroit 1918, p. 102.
M. scabrinodis subsp Schencki, part, in Emery 1916, p. 120 ( da
M. della Disgrazia).


. Come la var. sabuleti. Soltanto lo scapo visto di profilo ha la punta della piegatura un po' prolungata verso l' alto, cosi da renderlo simile al gruppo schencki e lobicornis; ma visto di sopra il lobo è assai largo e cioè circa il doppio della grossessa dello scapo. In tutte le e che ho esaminato la conformazione del lobo è costante. L' area frontale poi è più profonda e qualche volta anche del tutto striata. Scultura e gli altri caratteri come sabuleti.
L. 4-5 mm.; 5-6 mm.
. L' unico della mia collezione è pressochè indistinguibile da quello della var. sabuleti. Scapo, funicolo, scultura della testa e del torace, lucentezza e pelosità del gastro come la varietà citata. Il peduncolo porta delle strie regolari, profonde e longitudinali ai lati; la superficie è striata assai debolmente e lucida, Un carattere di rilievo è la depressione accentuata della linea frontale; ma dato l' esame di un unico non posso dire nulla della costanza di tale conformazione.
L. 5 mm.
Sessi alati: agosto e settembre.

* * * * *

De soort werd genoemd naar C. Lona uit Trieste.

Ga naar homepage Formicidae

 

 
 
 

 

Alhoewel Seifert in 1996 in zijn determinatietabellen een onderscheid maakt tussen Myrmica sabuleti en Myrmica lonae, plaatst hij er toch nog de bedenking bij of M. lonae wel als een afzonderlijke soort dient te worden beschouwd en niet eerder als een door inwerking van uitwendige factoren en zonder erfelijke basis verwekte varianten van M. sabuleti. In de volgende jaren heeft hij zelf onderzoek gedaan om deze kwestie op te lossen. Voor dit onderzoek vergeleek hij materiaal van niet minder dan 284 stalen van werksters (n = 929) en 80 stalen van gynen (n = 111) afkomstig uit 183 locaties. De stalen werden verzameld in Spanje, Italië, Klein-Azië, de Balkan, Centraal-Europa, de Benelux, Frankrijk, Denemarken, Fennoscandia en de Britse Eilanden. In zijn rapport dat hij daarover publiceerde (Seifert, 2000), toont hij aan dat Myrmica lonae wel degelijk een afzonderlijke soort is die zich zowel morfologisch als ecologisch onderscheidt van haar zustersoort M. sabuleti. Morfologisch verschilt M. lonae voornamelijk van M. sabuleti in de vorm van de scapuslob die bij M. lonae opvallend groter (breder) is dan bij M. sabuleti.

Myrmica sabuleti Myrmica lonae

Uit de gegevens van de neststalen van Seifert blijkt dat M. sabuleti een uitgesproken voorkeur heeft voor een open xerotherme vegetatie terwijl M. lonae vooral nestelt in xerotherme bossen. Opmerkelijk is toch wel dat we M. lonae vaak kunnen aantreffen in een open moerassig, venig habitat dat door M. sabuleti totaal vermeden wordt. Dit verschil in verspreidingspatroon komt volledig overeen met de waarnemingen die wij van beide soorten in Vlaanderen hebben gedaan. Uit onze data leiden we af dat M. lonae een uitgesproken voorkeur heeft voor natte heide (Verspreidingsatlas Vlaanderen).