![]() |
|
||||||
FORMICINAE |
|||||||
| SCHUBMIEREN |
|||||||
| Smith, 1943 | |||||||
Plagiolepis
taurica
Santschi
Synoniemen:
Nederlandse naam: dwergschubmier
|
|||||||
In een reactie op de bedenkingen die Dekoninck & Vankerkhoven (2001b) plaatsten bij de aanwezigheid van Plagiolepis taurica (= vindobonensis Lomnicki) in België, wijst Jean-Yves Baugnée (2002) op enkele recente waarnemingen van deze soort in het zuiden van het land. In de 'Lijst van mieren van België en Nederland' (Peter Boer et al., 2003) hebben wij deze soort dan ook vermeld als plaatselijk algemeen voor Zuid-België. Jean-Yves Baugnée vermeldt enkele waarnemingen die na 1990 zijn gedaan: de vallei van de Viroin, de vallei van de Lesse, Dinant en Yvoir. Bij determinatie van deze soort dienen we rekening te houden met de mogelijkheid dat een tweede soort, P. pygmaea vanuit het Groothertogdom Luxemburg naar het noorden oprukt.
* * * * * De Nederlandse naam, dwergschubmier doet al vermoeden dat het hier om kleine mieren gaat; de werksters zijn inderdaad niet groter dan zo'n 2,2 mm en de soortnaam pygmaea zal ook wel gekozen zijn in functie van hun afmeting. Determinatie tot de soort is binnen dit genus niet zo eenvoudig. Binnen hetzelfde nest kunnen deze mieren een grote kleurvarieteit vertonen, gaande van geel tot zwart. Ook hebben zij een schaarse afstaande beharing waardoor de determinatie dikwijls op biometrische gegevens dient te geschieden. Seifert maakt dan ook het onderscheid tussen P. vindobonensis en P. pygmaea op basis van de verhouding van de lengte van het derde zweeplid t.o.v. het vierde. Voorzichtigheid bij determinatie blijft echter de regel en in 1968 pleitte Bernard reeds voor een dringende herziening van dit genus, zeker met het oog op betere discriminanten. Bernard beschouwt P. vindobonensis trouwens als een kleine variant van P. pygmaea en steunt zich daarbij onder andere op het feit dat beide vormen in Frankrijk in dezelfde nesten voorkomen beneden de grens Bordeaux - Valencia - Milaan. Kutter wijst er echter op dat Bernard hier te licht voorbijgaat aan het duidelijk verschil in bouw van de sprietzweep tussen P. vindobonensis en P. pygmaea. Het aantal gekende soorten van dit genus ligt tussen 50 en 70, waarvan er zo'n 17 in het Middelands-Zeegebied voorkomen. De grootste verspreiding heeft men in Afrika en West-Azië terwijl ze nagenoeg ontbreken in het zuidelijk halfrond. Het zijn volkrijke soorten die meestal onder stenen nestelen. Alhoewel hun verspreiding vooral in het warmere zuiden ligt en zij xerotherm zijn, kruipen zij bij grote droogte en hoge temperaturen dieper weg om uitdroging te voorkomen. Om deze reden worden zij in Zuid-Europa na eind juni bijna niet meer waargenomen. * * * * * In Midden- en Zuid-Europa komt nog een derde soort voor, namelijk Plagiolepis xene Staercke. Dit is een parasitaire soort die tot op heden enkel in nesten van P. pygmaea werd aangetroffen. Deze parasiet heeft geen eigen werksters en de gevleugelde gynen en ongevleugelde mannetjes zijn met hun 1,2 à 1,3 mm meestal kleiner dan de werksters van de gastkolonie. * * * * *
|
|||||||